DUBBEL INTERVIEW ‘BOEK’ – F.STARIK en NITERINK

‘Moeder is een nieuwe mevrouw geworden’
door: Manon Duintjer

Eén op de twee Nederlanders boven de 85 is dement. Voor hun kinderen betekent dat vaak een grote zorg. Twee van hen F. Starik en Tosca Niterink schreven er een boek over: Moeder doen en De vergeetclub. BOEK sprak met hen over verzorgingstehuizen, geestelijke en lichamelijke aftakeling, maar ook over de positieve kanten van hun ‘nieuwe’ moeder.

Als eerste spreek ik beeldend kunstenaar, dichter en schrijver F. Starik. Wanneer ik tegenover hem zit aan zijn formica keukentafel, vertelt hij dat hij bezig is met een opzet voor een theatervoorstelling van Moeder doen. Bovendien werkt hij aan een vervolg dat moet eindigen met zijn moeders dood. Als hij haar bezoekt, neemt hij nog steeds zijn aantekeningenboekje mee. Een week later in een Amsterdams café verzucht actrice en schrijfster Tosca Niterink dat ze juist blij zal zijn als De vergeetclub af is, omdat ze dan gewoon weer bij haar moeder op bezoek kan zonder aan het boek te denken.
Niterinks Vergeetclub speelt zich vooral af in het verzorgingstehuis, terwijl Starik in Moeder doen ook over de zoektocht naar een verzorgingshuis schrijft. Wat opvalt is dat beide boeken uit korte verhaaltjes bestaan en de periode van één jaar beschrijven. Waarom kozen de auteurs voor deze vorm?

FS: ‘Ik ben gaan schrijven op het moment dat mijn moeder haar heup brak en het hele verzorgingstehuizencircus losbrak. Precies een jaar later was het af. De vorm had ik snel te pakken. In de eerste plaats ben ik een dichter, dus hoofdstukjes van 150 woorden liggen mij goed. Je kan veel kwijt in zo’n gecondenseerde anekdote en je voorkomt dat het larmoyant wordt. Daarnaast werd het op een gegeven moment een sport om precies 150 woorden te schrijven.
Het schrijven heeft me door het proces heen gesleept. Je schrijft niet alleen van je af, je schrijft ook naar je toe. Je maakt de ellende erger voor jezelf door de het op te schrijven, omdat het je dwingt zorgvuldiger te kijken. Je kan niet wegkijken als het je teveel wordt.’

TN: ‘Ik vond de gesprekken bij mijn moeder in het tehuis altijd zo leuk dat ik ze ben gaan opschrijven en die verhaaltjes zijn eerst in Esta en later als column in NRC verschenen. Op basis daarvan heb ik De vergeetclub geschreven. Schrijven is magisch. Je kan fictie en werkelijkheid door elkaar halen. De VPRO heeft me gevraagd of ik er ook een documentaire over wilde maken, maar daar had ik geen zin in. Dan zie ik meteen zo’n vrouw in een luier lopen met klassieke muziek eronder. Ik wilde er geen IKON drama van maken.
De vergeetclub laat de vrolijke kant van het tehuis zien, dus ik ga niet zeuren over het personeel of over de dingen die misgaan. Overigens wil ik dementie niet idealiseren, want ik realiseer me heel goed dat mijn moeder de ‘leukste’ vorm van dementie heeft. De moeder van een vriendin van mij zat in een rolstoel vastgebonden omdat ze niet te handhaven was. Dat is natuurlijk verschrikkelijk’

Beide moeders wonen in kleinschalige verzorgingstehuizen, door de auteurs respectievelijk Klein Keukenhof en Westhaven genoemd. Hoe ziet die woonomgeving er uit?
TN: ‘Mijn moeder heeft geluk gehad. Ze zit in een goeie groep met zeven anderen. In het twee verdiepingen hoge gebouw zijn allemaal huiskamertjes waar de bewoners gezamenlijk kunnen zitten en daarnaast heeft iedereen een eigen kamer met een badkamertje. De zusters koken voor ze, halen ze uit bed, wassen en strijken; het is een hele huiselijke omgeving. Ze eten ook bij elkaar, maar niet meer aan één lange tafel, want dat werd teveel ruzie. Mijn moeder zit eigenlijk altijd in de huiskamer, want ze houdt van mensen om zich heen. Ze gaat alleen naar haar kamer voor de wc of om te slapen. Dan doet ze wel de deur op slot of barricadeert zelfs de deur.’

FS: ‘Mijn moeder heeft een eigen kamer waar ze zich kan terugtrekken om een boek te lezen of een glaasje wijn te drinken. Wij vonden dat heel belangrijk, omdat zij na de dood van mijn vader, dertig jaar geleden, altijd op zichzelf heeft geleefd. Nu zien we dat ze toch steeds meer naar de groep toe trekt. Met vijf dames en een heer vormt ze een soort gezinnetje. Om vijf uur gaan de pannen op het vuur, dan wordt er op de afdeling gekookt. Sommige bewoners mogen helpen met aardappels schillen. Die moeten dan wel om drie uur beginnen, want voordat je voor zes mensen aardappels hebt geschild…
Iedereen bemoeit zich met het koken, samen met de etensluchtjes draagt dat bij aan een huiselijke dynamiek. Vanwege bezuinigingen wordt het koken waarschijnlijk binnenkort afgeschaft. Dat vind ik jammer, ook voor de verzorging, want voor hen is het ook prettig om niet alleen maar billen hoeven af te vegen.’

F.Starik.Moederdoen

Er wordt veel geklaagd over de bezuinigingen in de ouderenzorg. Zijn Starik en Niterink misstanden tegengekomen?
FS: ‘Mijn moeder werd in eerste instantie in verzorgingstehuis de Tuinen geplaatst en dat vond ik de hel op aarde. Ze zat daar met vijftien man op een groep. Er was één vrijwilligster die thee en koekjes uitdeelde en één zuster die met blauwe latexhandschoenen achter de mensen aanrende om kots op te vangen, luiers te verschonen en verdwaalde mensen naar hun stoel te brengen. Het leek wel een dierentuin: mensen die alleen maar rauwe kreten slaakten en spastisch op gevangenisbedden lagen vastgesnoerd om al kotsend en poepend de dag door te brengen.
Er is een soort gemeenschappelijke overeenstemming dat we niet zoveel geld aan de zorg willen besteden en dat leidt tot dit soort excessen, maar ik ben geen politicus, dus het is niet mijn taak om maatschappelijke misstanden aan de kaak te stellen. Ik signaleer alleen wat ik tegenkom en ik heb beschreven hoe ik mijn moeder uit de hel van de Tuinen heb gered.’

TN: ‘Het is belachelijk hoe wij met onze ouderen omgaan. Een vriendin van mij heeft net een kindje gekregen en die ouders zitten de hele dag naar die baby te kijken en vinden alles leuk: spugen is leuk, de luiers zijn leuk. Maar als het kindje oud is, wil niemand die luier meer verschonen. We stoppen oude mensen weg in tehuizen, omdat we het te druk hebben met geld verdienen. Maar waar gaat het nou om in het leven? Ergens interessant doen achter je computer of je kinderen opvoeden en voor je ouders zorgen? Zelf doe ik er ook aan mee, want ik heb wel even overwogen om bij mijn moeder in te gaan wonen, maar als ik twee avonden achter elkaar bij haar zat werd ik al tureluurs.’

tosca niterink

Zowel in Moeder doen als in De vergeetclub is het schuldgevoel nooit ver weg. Waarom voelen kinderen zich vaak zo schuldig ten opzichte van hun demente ouders?
TN: ‘Je moeder heeft voor je gezorgd en jij doet dat niet terug, daarom voel jij je schuldig. Toen mijn moeder moest verhuizen was ik dat ongeveer de ergste dag van mijn leven. De eerste drie nachten ben ik op de bank blijven slapen omdat ik het zo zielig vond. Totdat de zusters tegen me zeiden: ‘Wie is hier nou komen wonen, jij of je moeder?’ Ik zie het ook bij anderen. Als er een nieuw iemand in het tehuis komt, is de familie in het begin niet weg te slaan en eten ze iedere avond mee, maar na twee weken zie je ze niet meer.’

FS: ‘Mijn moeder zei vroeger: “Als ik dement wordt moet je mij maar doodschieten”. Dus in eerste instantie voelde ik me schuldig dat we haar ergens heen brachten waar ze nooit naar toe gewild zou hebben. Na drie maanden vertelde de verpleegster dat mijn moeder nog iedere ochtend huilend wakker werd en vroeg “Waar ben ik, Wat doe ik hier?” Toen draaide mijn hart opnieuw om, al wist ik ook dat het verdriet snel overgaat. Want dan brengt de verzorgster haar een krantje en een kopje thee en als ze vervolgens na een uur terugkomt om te vertellen dat het ontbijt klaar is, zit mijn moeder daar helemaal het heertje en zegt vrolijk: “O hebben we nog niet ontbeten dan?” Schuldgevoel hoort bij het proces, maar nu mijn moeder er een half jaar zit is het voor mij niet meer het overheersende gevoel.’

Moeder doen en De Vergeetclub zijn beslist geen klaagboeken. Hoewel ze niemand dementie zullen toewensen, beschrijven de auteurs ook de positieve veranderingen die hun moeders hebben ondergaan.
FS: ‘Misschien is mijn moeder wel gelukkiger dan ze ooit is geweest. Vroeger was verlies van zelfcontrole en decorum ondenkbaar voor haar, maar nu ze dat eindelijk kwijt is, is ze daar eigenlijk heel blij mee. Ze is een nieuwe mevrouw geworden, aardiger, je kan meer met haar lachen.’

TN: ‘Het klinkt misschien raar, maar ik ben blij dat ik in deze periode een andere kant van mijn moeder leer kennen. Ze is nog wel dezelfde, maar ze heeft bepaalde reserves laten gaan en dat maakt haar veel leuker. Ik vond het vroeger heel irritant dat ze altijd aan mijn zus vroeg hoe het met mij was. Nu vraagt ze dat direct aan mij. Ze is ook veel aaibaarder geworden. Je mag haar de hele dag aanhalen, terwijl ze voorheen altijd bang was dat haar haar in de war zou raken.
Blijkbaar is de reden waarom je in je leven reserves inneemt niet belangrijk genoeg om je die te herinneren. Mijn moeder weet bijvoorbeeld niet meer dat ze vroeger van zichzelf geen chocolaatjes mocht eten vanwege de lijn. Ze was heel koket en wilde tegen de klippen op maatje 36 houden. Nu is ze dat vergeten en kan ze heel erg genieten van eten en snoepen.’

Niterink baseerde De vergeetclub op de gesprekken die de bewoners van Klein Keukenhof met elkaar voerden en Starik tekende in Moeder doen ook veel dialogen op. Wat daarbij opvalt is de herhaling in de gesprekken. Word je daar als kind niet gek van?
FS: ‘Het was al jaren aan de gang dat ik telkens dezelfde serie vragen moest beantwoorden en dat die weer opnieuw begon zodra het rondje was gedaan. In eerste instantie ergerde ik me daar aan – moet ik dat nu alweer vertellen? -, maar op een gegeven moment leer je daar wel mee omgaan. Ik doorbreek het nu door out of the blue iets heel anders te vertellen. Je kan best een goed gesprek met mijn moeder voeren als je er maar geen waarde aan hecht dat het tot een conclusie leidt of tot een blijvende herinnering, want je kunt hetzelfde gesprek vijf minuten later opnieuw voeren en dan is het weer even verrassend en nieuw.’

TN: ‘Als mijn moeder in een bui is waarin ze constant hetzelfde vraagt, ga ik met haar in de auto rijden en dan zingen we liedjes. Dan is het even weg. Al doende leer je dat soort dingen. Haar moeder is ook weer gaan leven. Ze vroeg vaak naar haar en een tijdlang zei ik: “mam, die is al dertig jaar dood,” maar daar werd ze heel erg verdrietig van. Dus als ze nu vraagt: “Hoe gaat het met moeder?”, dan antwoord ik: “Goed hoor, oma zit bij tante Freddy in Brussel.”
“O flink hoor,” zegt ze dan. “Is ze met de trein gegaan?”’

Naast de geestelijke aftakeling van hun moeders beschrijven Starik en Niterink ook het lichamelijk verval en de hulpbehoevendheid die daarmee gepaard gaat. Hoe is het om weer fysiek met je moeder te moeten omgaan?
FS: ‘Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag, merkte ik dat haar lichaam en de aftakeling daarvan mij afschuw inboezemde. Ik vroeg me af of ik haar zou moeten helpen als ze naar de WC wilde en daar voelde ik een sterke lichamelijke afkeer van. Die gevoelens verbaasden mij op zich niet, maar de lezers van Trouw – Moeder doen werd vorig jaar als column in die krant gepubliceerd – reageerden daar buitengewoon heftig op. Ze vonden het verschrikkelijk dat kinderen zo met hun ouders konden omgaan. Het werd een behoorlijke rel, maar er waren ook lezers die schreven dat ze het heel dapper en een eerlijk vonden wat ik zei, omdat ze het zelf ook hadden meegemaakt en wisten dat dit soort ervaringen bij het pakket horen.’

TN: ‘Ik vind het nu niet erg meer om met mijn moeder naar de wc te gaan of haar te wassen, maar daar moest ik me wel even overheen zetten. Je hebt natuurlijk nooit eerder uitgebreid de kont van je moeder bekeken of schoongemaakt. Mijn moeder zelf heeft geen enkele last van schaamte, omdat ze er inmiddels zo aan gewend is dat iedereen dat soort dingen met haar doet. Ze heeft altijd een goed lichaam gehad. Haar borsten waren heel mooi, maar nu is het alsof het lijf is leeggelopen. Haar huid is dun en ze voelt heel broos. Als ik haar aankleed ben ik altijd bang dat ik iets breek. Toch vind ik het ook mooi zo’n oud lichaam.’

Het lezen over de aftakeling van beide moeders riep vragen bij mij op als ‘hoe zal ik er aan toe zijn als ik zo oud ben?’, ‘wat zal er met mij gebeuren?’ en ‘wil ik wel zo oud worden?’ Hoe zien de auteurs hun eigen oude dag?

TN: ‘Tegen een oud lichaam zie ik niet op. Ik schrik nu al van mezelf als ik in de spiegel kijk. Eigenlijk denk ik nog altijd dat ik twintig ben, maar als ik mezelf dan zie, denk ik “wat een oud wijf” en snap ik wel waarom ze tegenwoordig “mevrouw” en “u” tegen me zeggen. Maar ach… Ik ben wel bang om eenzaam te worden. Oud worden in deze maatschappij is nu eenmaal niet leuk. Met vriendinnen hebben we het er wel eens over om een huis in Italië te kopen met een leuke verpleegster erbij, maar hoewel iedereen altijd roept, “Ja gaan we doen!” weet ik niet of het ervan komt.’

FS: ‘Ik ben niet van plan om tien jaar als demente bejaarde rond te lopen, dan maak ik er
een eind aan. In mijn boek roept een vriend van mij – die ik het kleine dichtertje noem – op een gegeven moment in het café dat we samen met nog wat vrienden een bejaardentehuis moeten oprichten. Op zich vind ik het wel een geruststellende gedachte om met hem ’s avonds bier hijsend op de bank televisie te kijken en daarover te leuteren, maar echt stappen in die richting heb ik nooit ondernomen. Dat zou je dan nu moeten doen, maar wat heeft het voor een zin om een bejaardentehuis te kopen waar je pas over twintig jaar zelf in kan?’

This entry was posted in interviews, pers, Tosca's columns and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *