Afgekieft – Linda Magazine

De chef-redacteur van LINDA. vraagt of ik Kieft wil dubbeldiepte-interviewen.
“Jij interviewt maar je mag zelf ook wat zeggen.”
“Kieft?”
“Ja, dat boek van hem waarin hij zo openhartig praat over zijn verslaving staat al maanden nummer één op de bestseller top zoveel.”
“Ja, en?”
“Tis voor ons themanummer rehab, snappio.”
“O, op die fiets.”
“Omdat jullie allebei…”
“Verslavings dingedanges hebben meegemaakt”, vul ik aan.
“Ja dat, maar jij hebt toch ook een openhartige bestseller geschreven, wat is de titel ook alweer?”
“De Vergeetclub, gaat over mijn moeder.”
“Nou!”
“Mijn moeder is niet verslaafd, ze is dement.”
“Precies, dat valt toch ook niet mee.” 2200 woorden met foto’s, we zetten jullie in de kleren en op de foto en daarna gaan jullie lekker eten samen en doe je dat interview, je snapt het allemaal wel.”
“Tuurlijk.”

Wie is die Kieft ook alweer, en waaraan is hij verslaafd? Een doorgesnoven crimineel? Of een tv-sterrenkok met morbide obesitas? “In welk ei heb jij gezeten afgelopen dertig jaar,” klinkt het thuis. “Kieft is die legendarische voetballer, topscoorder!”
Als ik ergens niet tegen kan, dan is het voetbal op tv. Die knalgroene grasmat met al die onrust erop. Die tribunes waar dat massale opgewonden gebrul vanaf komt. Alsof ze elkaar met tussenpozen tegelijkertijd in de kloten knijpen. Zachtjes, harder, hard en keihard.

tosca niterink en wim kieft

Het boek waarin Kieft, naar verluid openhartig vertelt over zijn verslaving ploft op de mat. Ik ben benieuwd of dat echt zo is, want mij fop je niet.
Na een halve bladzijde, weet ik genoeg, het is inderdaad zo. Als de Nederlandse pers daar geen natte broek van heeft gekregen, dan weet ik het niet. Hier moeten ze massaal overheen gevallen zijn, nadat ze het eerst met rode oortjes in een ruk hadden uitgelezen. Ik zie Matthijs van Nieuwkerk al hoofdschudden. Pappa begrijpt het niet, je kon zo leuk voetballen en nu dit! Een junk nog wel! Als je nou gewoon aan de alcohol was gegaan, zoals iedereen! En er dan zo openhartig over kletsen, walgelijk, zoiets hou je toch voor je, man!

wim kieft

De fotoshoot vind plaats in een garage.
Wim Kieft staat een dure kriebeltrui over zijn hoofd te trekken. “Heel mooi,” zegt de kleedster. Ik zie aan Wim dat hij zich moet vermannen om de jeuktrui niet onmiddellijk van zijn lijf te rukken en in een moeite door zelf ook maar hard weg te rennen.
“Voelt het goed?” vraagt de kleedster.
“Hij kriebelt een beetje,” huivert Wim beleefd.
“Ik ben Tosca,” probeer ik zelfverzekerd om hem af te leiden.
“Wim,” fluistert hij verlegen.
Ik wordt acuut net zo onzeker als hij, maar dat geeft gelukkig niet want zoiets kan gewoon gebeuren weet ik dat hij weet dus we stellen onszelf uitgebreid en op ons gemak onhandig aan elkaar voor.
“Ik zag je in De Wereld Draait Door,” zegt Wim.
“Ik zag jou ook,” zeg ik. “Ik vond het zo mooi dat je zo eerlijk was.”
Het klikt meteen tussen Wim en mij.
De visagist knijpt in mijn haar. “Wat wil je ermee?”
“Doe maar wat,” zeg ik, “maakt me niet uit.”
“Je hebt goed haar,” zegt-ie terwijl hij er een borstel doorheen trekt. “Au! “roep ik.
Behalve de visagist loopt er nog een andere homoseksuele man rond op gestreepte espadrilles. Hij heet Iebele en heeft alles bedacht: thema, hoofdpersonen, locatie. “Als Wim klaar is kan hij vast meekomen,” zegt hij over het hoofd van Wim heen, “doen we eerst een paar foto’s met hem alleen.”
“Wim is klaar,” zegt de visagist, ook over Wims hoofd heen, “hij kan mee.” Als een verlegen jongetje kijkt Wim van de een naar de ander.
“Ga je vast mee Wim?” De man huppelt op zijn gestreepte touwschoenen de deur uit.
Wim wiebelt er opgelaten achteraan.
Ik voel een hete krultang in mijn nek.
“Toen ik thuis verteld had dat ik homo was, vond mijn moeder het ook best dat ik visagist wilde worden, maar ze wilde wel dat ik er een gedegen kappersopleiding bij deed,” vertelt de visagist.
“Wim wil zijn haar wat steviger,” hijgt Iebele in de deuropening. “Is Tosca klaar?”
“Ja zo goed als, dat haar moet nog wat rommeliger, maar dat doe ik in de garage wel.”
De visagist rammelt met zijn bus haarlak de deur uit.

Een jongeman met een eigentijds barbierbaardje steekt zijn hoofd om de deur. “Ik kom de biologische lunch brengen, kan dat?”
“Oei,” zeg ik. “Weet je familie ervan?”
“Het is geen extremistenbaardje, “verduidelijkt hij, “het is fashion.”
Wim staat in een ketelpak, met een stuk gereedschap in zijn hand tussen de lampen.
Er zit nog een pluk een beetje raar, zegt Wim tegen de visagist
De visagist prikt met de achterkant van zijn kam in het coupe soleil-kapsel van de gepensioneerde voetballer. (Voetballers krijgen al op hun 35e pensioen heeft Wim net verteld, € 2300 per maand).
“Welke pluk”, vraagt-ie.
“Pluk van de pettenflat,” grap ik.
“Nee,” zegt Wim beslist, mijn lievelingsfilm is Brammetje Baas. Daar kijk ik het allerliefst naar. Met mijn dochter, dan zet ik hem op en dan roept ze: ‘Niet alweer!’”
“Maar jij zet toch door?”
“Ja.”
“Wat vind je dan zo leuk aan die film?”
Wim haalt ineens onverschillig zijn schouders op: “Weet ik veel.”
“Waar gaat die film dan over?” probeer ik nog. Maar Wim vind het genoeg, dat openhartige boek over zijn verslaving is tot daaraan toe, maar even vertellen waar Brammetje Baas over gaat, gaat te ver.
“Val ik lekker bij in slaap,” wimpelt hij het gevoelige onderwerp af.

tosca niterink en wim kieft

“Gaan jullie maar bij die Ford Mustang staan,” zegt de fotografe,
Wim en ik staan voor de auto. We giechelen. “Kijk maar gewoon,” zegt de fotografe. We zien onszelf weerspiegeld in het raam. “We zijn net Conny Vink en Benny Nyman,” zeg ik. We krijgen een zenuwachtige lachbui.
Ik loop met een sigaret naar buiten. “Vuur, heeft er iemand vuur?”
“Daar,” wijst de visagist, achter dat bosje. Ik zie een rooksliert uit struweel omhoog kringelen. Als ik dichterbij kom hoor ik Wim “Dag schatje” in de telefoon fluisteren.
Oei. Ik wil meteen rechtsomkeer maken, maar hij kijkt om.
“Vuur,” articuleer ik zonder geluid.
“Je kan gewoon hardop praten hoor, ik heb mijn dochter net opgehangen.
“O je dochter, ze woont bij je las ik in je boek.”
“Ja die van negentien, maar ik heb er ook eentje van vier. Ik ben gek op meisjes, “ zegt hij zacht, “Ik had eigenlijk alleen maar meisjes willen hebben, maar de eerste was een jongen, ook leuk, maar gelukkig kwamen er daarna twee meisjes.”
“Volgens mij voel jij je ook niet echt op je gemak hier,” zegt Wim, “dat voel ik gewoon.”
“Nou,” begin ik en ik wil er achteraan zeggen: “dat valt wel mee. Maar Wim is me voor: “Ik voel me ook niet op mijn gemak. “Dat kan me verschrikkelijk naar de keel vliegen, dan moet ik gewoon mijn dochter even bellen om rustig te worden.”
“Kunnen jullie goed met elkaar praten?”
“Nee, ik bel niet met die van negentien. Ik bel op zo’n moment altijd die kleine van vier, dan wil ik alleen haar stem even horen, dat is het enige waar ik rustig van word.” Hij begint druk over het display van zijn telefoon te duimbewegen, dan stopt-ie en lacht vertederd. Hij laat me een foto van een verstandig kijkend blond kleutermeisje zien.
“Dat is mijn kleine meid,” zegt hij trots. “Ik heb haar vandaag al twee keer gebeld en dan heb ik me nog ingehouden.”
“Als ik er zo eentje thuis had,” mijmer ik, “zou ik haar ook de hele dag om raad vragen.”

“Ik moet het je toch vertellen,” begin ik, “ toen ik je foto zag, voorop dat boek dacht ik: die ken ik ergens van.”
“Dat hebben wel meer mensen,” zucht Wim vermoeid.
“Nee, het is niet wat je denkt. Ik ken je van de AA. Een jaartje terug of zo pakte ik weer eens een meetinkje.” Ik noem het adres.
“O daar,” zegt Wim, “daar kom ik graag omdat het er lekker rustig is.”
“Ja ik ook, totdat ik naar de andere kant van de stad verhuisde, maar enfin ik was toevallig in de buurt en voelde me een beetje…”
“Onbestendig,” vult Wim aan, “ik weet precies wat je bedoelt, levensgevaarlijk.”
“Precies,” huiver ik, “alsof er een ijskoude ijzeren band steeds strakker om je hart getrokken wordt.”
“Het gevoel ken ik al van vroeger,” fluistert Wim, “als we zaten te wachten tot mijn vader uit de kroeg thuis kwam en je niet wist in wat voor stemming hij was. Een gevoel van angst en onveiligheid.”
“Mijn vader stierf toen ik vier was, mijn hele jeugd was ik panisch voor kanker en ziekenhuizen, volgens mij wortelt daar dat gevoel.”
Nee je moet het voor zijn, dus ik ging naar een AA meeting.
Tosca, ken je Willem? vroeg iemand.
Willem ken je Tosca?” We schudden allebei ons hoofd, gaven elkaar beleefd een hand en wisselden een wazige blik.
“Ik kan het me niet herinneren”, zegt Wim.
“Geeft niet”, zeg ik.
“Kom je nog vaak bij de AA?” vraag ik.
“Vanmorgen nog,” zegt Wim, “ik heb er heel veel aan.”
“Ik las dat je in Oost bent opgegroeid.”
“Ja, we woonden in de Indische buurt in de Celebesstraat, die loopt langs het spoor. Tussen de molen en het Muiderpoortstation.”
“Wat een toeval, ik woon daar momenteel vlakbij, aan de andere kant van het spoor.”
“Ik woon daar natuurlijk allang niet meer,” zegt Wim, “maar mijn moeder zit er nog steeds. Als ik daar kom ben ik altijd weer verbaasd dat het zo’n piepklein woninkje is. Het is er zo krap dat je je kont niet kan keren. Toch woonden we daar met zijn vieren, mijn vader mijn moeder, mijn zus en ik. Ik sliep met mijn oudere zus op een kamer en mocht in een leeg bierflesje plassen omdat ik ’s nachts niet naar de wc durfde. Ik durfde niet door die grote donkere huiskamer naar de wc op de gang, dat vond ik doodeng. Als ik nu zie hoe klein die huiskamer in feite is… Ik dorst ook niet de trap op naar zolder.”
“Jeetje, ik was helemaal niet zo bang als kind, ik had je een schijtluis gevonden, zoals we dat indertijd noemden.”
“Maar die zolder was echt eng, die liep helemaal door, van het ene huis naar het andere huis, alleen maar afgezet met houten schotten.”
“Te gek, dus je kon bij de buren komen.”
“Je kon bij alle buren komen, die zolder liep over de hele straat.”
Zo! Ik voel kinderlijke opwinding omhoog komen, vermengd met jaloezie, als kind had ik een moord gedaan voor zo’n spookzolder.
“Daar kon je pas echt goed verstoppertje spelen”, hijg ik opgewonden.
“O nee, voor geen goud ging ik die zolder op.”
Echt? Ik voel diepe teleurstelling, wat zonde van die zolder. Ik kijk naar hem, deze held van het vaderland. Boos zou ik op hem geweest zijn als kind, helemaal als ik toen al geweten had dat hij later een held zou worden, op posters zou hangen in jongenskamers. Pfft! Als er iemand kan falen is het de held, een held mag niet falen, een held mag niet bang zijn, een held mag zeker geen junk worden, zoals men iemand die verslaafd is aan drugs noemt. Het woord junk staat voor waardeloze troep, het tegenovergestelde van een duurbetaalde belangrijke held van het volk.

Het is uren later. We zitten aan tafel in een duur restaurant.
“Waarom heb je dat boek eigenlijk geschreven?”, vraag ik.
“Als ik heel eerlijk ben, om het geld.”
“Je beschrijft je verslaving in al zijn gênante lulligheid. In je eentje op een hotelkamer je geld er doorheen jagen. Hoe meer je je schaamt, hoe meer je moet gebruiken om het te vergeten, hoe ellendiger je je voelt, hoe meer je je terug trekt. Niks flitsends aan.”
Als ex-verslaafde herken ik dit maar al te goed.
“Tja, ik heb gewoon verteld hoe het zit, waarom zou ik liegen? Onder ogen zien hoe het zit, is de enige manier om verslaving de baas te worden. Het heeft niks te maken met feesten, glamour en wilde wijven.”
Als we alle hapjes achter de knopen hebben en koffie bestellen, zucht Kieft vanuit zijn tenen: “Het is heel vermoeiend om Kieft te zijn.”
Eigenlijk wil ik dit meteen beamen door te zuchten: “Ik weet er alles van want het is ook heel vermoeiend om Tosca Niterink te zijn. Vierentwintig uur per dag, huiver ik erachteraan, dag in dag uit, jaar na jaar na jaar. Maar het leed van een internationale stervoetballer weegt natuurlijk veel zwaarder dan dat van een gevallen kindsterretje waar hij nog nooit van gehoord heeft. Als ik nou Pippi Langkous had geheten of Pluk van de Pettenflat, dan had hij nog kunnen zeggen: “Nee, daar vond ik nooit een reet aan, maar van Thea van Theo heeft-ie nog nooit iets gevonden. Ik durf niet eens te zeggen dat ik voor vandaag ook nog nooit wat van Wim Kieft heb gevonden.
We lopen het restaurant uit. Buiten op het terras zit een aangeschoten meneer een saté-stok tussen zijn tanden kaal te trekken. “Wim,” roept-ie. We negeren hem. “Wim,” roept-ie harder. “Wuhim,” brult ie kwaad. We versnellen onze pas, vanuit mijn ooghoeken zie ik stukken varkensvlees onze kant opvliegen. “Wim,” buldert-ie, “wel volhouen hé!”
“Vind je dit niet vervelend?”, vraag ik. “Ik bedoel, ik krijg ook altijd goeie raad van dronken mensen. Als drugsverslaafde sta je helemaal onderaan de pikorde in verslavingsland. Dieper kan je als mens niet zinken, vindt men. Een dronken zwerver die in een emmer zat te pissen, zei walgend tegen mij: ‘Maar jij bent een vieze junk.’”
“Ach,” zegt Wim die niet echt geluisterd heeft, “ik ben als kind weleens met een bootje langs het huis van Ria Valk gevaren en toen schreeuwde ik heel hard: “Moeder ik ben zo bang!”

Dit interview is verschenen in lINDA. Magazine 2014

This entry was posted in Tosca's columns and tagged , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *